11
Maart 2003
flaming (2)
We mochten meezingen, zo probeerde hij ons duidelijk te maken vanaf 't podium. We moesten ons eens lekker laten gaan. Want ook al speelden zij tzelfde repertoire avond aan avond, ze probeerden er toch een feestje van te maken. Een feestje voor ons, hier in Amsterdam, hier in de Melkweg.
Ze hadden ballonnen meegenomen & in de zaal rond laten gaan; de zanger gooide regelmatig met confetti, zwaaide met een looplamp om zn hoofd; & bovendien hadden ze zeker niet onaardig ogende meisjes aan beide flanken geplaatst, gekleed in levensgrote dierenpakken.
We zouden mee moeten zingen. Dat werkte bevrijdend. We zouden zien hoe heerlijk t gevoel zou zijn als we met zn allen hardop met de tekst meezongen. Luid. Luidkeels. Ook al zouden we de regels niet allemaal uit ons hoofd kennen (de buurman zou dat toch niet merken door t lawaai), dan nog zou t bevrijdend zijn om met zn allen de zaal te vullen met ons gezang.
Iedereen lachte. Nog nooit zon leuke preek gehoord om de mens te bewegen tot zingen, leek men te denken.
& De muziek begon. Op de achtergrond speelde een clip; de ballonnen werden ijverig door de zaal heen & weer geslagen; de olifant, de haan, de eend, de kat, de aap: ze begonnen allemaal te dansen.

Ik zong niet mee in de kerk. Net als mn broer. Dat wilden we niet meer. We schaamden ons dood als iemand ons zou zien zingen. Stel je voor dat iemand ons betrapte op een valse noot. Of de baard die in de keel zat.
Stijf zaten we in de kerkbank. t Misboekje naast ons. Ook daarvan mocht niet gezien worden dat we die in onze handen namen. We kregen af & toe een stoot van Pa of Ma om ons ertoe te bewegen met aandacht bij de mis te blijven. Kregen we t boekje weer in onze handen gedrukt. Een vinger wees naar waar we gebleven waren.
Zing nou toch ns mee, siste mn moeder zacht.
We knikten nurks, hielden t boekje even vast, om t weer opzij te leggen zogauw de ouders zelf de mis probeerden te volgen.
Als we in de gaten gehouden werden, bewogen we onze lippen licht. Alsof we geluid uit onze monden probeerden te laten komen. We hoopten dat Pa of Ma niet in de gaten had dat t slechts lucht was. Dat was ook de reden dat we niet naast ze wilden zitten ('t liefst stopten we een jonger broertje ertussenin); dan hadden ze de schertsvertoning eerder door & kon je een knijp in je zij verwachten. Soms pakte Pa de dichtstbijzijnde hand vast & kneep m fijn. Dan moest je wel zingen. Met een chagrijnige kop deden we mee met de rest van de kerk. Zon kop zou God vast niet goedkeuren.
Ik hoorde 2 plaatsen van me vandaan een jongen hard Yoshimi meezingen. Mn beide buren op t balkon deden niets. Ze lachten wel, maar daar bleef t bij. Ik had geoefend afgelopen week, maar dat mocht niet baten. Buiten t feit dat ik de tekst me allang niet meer wist te herinneren, was t schaamtegevoel nog veel te groot. Ik stond als vroeger in de kerk naar lucht te happen, de schijn op te houden, maar wel op zon wijze dat zelfs de mensen naast me niet konden zien dat mn lippen bewogen (de zanger had dit van te voren als 'mumbling' afgedaan).
Ik lachte, dat wel, dat mocht iedereen zien. Tenslotte lachte iedereen.
In Zijperspace is men afhankelijk van de kudde.
Ze hadden ballonnen meegenomen & in de zaal rond laten gaan; de zanger gooide regelmatig met confetti, zwaaide met een looplamp om zn hoofd; & bovendien hadden ze zeker niet onaardig ogende meisjes aan beide flanken geplaatst, gekleed in levensgrote dierenpakken.
We zouden mee moeten zingen. Dat werkte bevrijdend. We zouden zien hoe heerlijk t gevoel zou zijn als we met zn allen hardop met de tekst meezongen. Luid. Luidkeels. Ook al zouden we de regels niet allemaal uit ons hoofd kennen (de buurman zou dat toch niet merken door t lawaai), dan nog zou t bevrijdend zijn om met zn allen de zaal te vullen met ons gezang.
Iedereen lachte. Nog nooit zon leuke preek gehoord om de mens te bewegen tot zingen, leek men te denken.
& De muziek begon. Op de achtergrond speelde een clip; de ballonnen werden ijverig door de zaal heen & weer geslagen; de olifant, de haan, de eend, de kat, de aap: ze begonnen allemaal te dansen.

Ik zong niet mee in de kerk. Net als mn broer. Dat wilden we niet meer. We schaamden ons dood als iemand ons zou zien zingen. Stel je voor dat iemand ons betrapte op een valse noot. Of de baard die in de keel zat.
Stijf zaten we in de kerkbank. t Misboekje naast ons. Ook daarvan mocht niet gezien worden dat we die in onze handen namen. We kregen af & toe een stoot van Pa of Ma om ons ertoe te bewegen met aandacht bij de mis te blijven. Kregen we t boekje weer in onze handen gedrukt. Een vinger wees naar waar we gebleven waren.
Zing nou toch ns mee, siste mn moeder zacht.
We knikten nurks, hielden t boekje even vast, om t weer opzij te leggen zogauw de ouders zelf de mis probeerden te volgen.
Als we in de gaten gehouden werden, bewogen we onze lippen licht. Alsof we geluid uit onze monden probeerden te laten komen. We hoopten dat Pa of Ma niet in de gaten had dat t slechts lucht was. Dat was ook de reden dat we niet naast ze wilden zitten ('t liefst stopten we een jonger broertje ertussenin); dan hadden ze de schertsvertoning eerder door & kon je een knijp in je zij verwachten. Soms pakte Pa de dichtstbijzijnde hand vast & kneep m fijn. Dan moest je wel zingen. Met een chagrijnige kop deden we mee met de rest van de kerk. Zon kop zou God vast niet goedkeuren.
Ik hoorde 2 plaatsen van me vandaan een jongen hard Yoshimi meezingen. Mn beide buren op t balkon deden niets. Ze lachten wel, maar daar bleef t bij. Ik had geoefend afgelopen week, maar dat mocht niet baten. Buiten t feit dat ik de tekst me allang niet meer wist te herinneren, was t schaamtegevoel nog veel te groot. Ik stond als vroeger in de kerk naar lucht te happen, de schijn op te houden, maar wel op zon wijze dat zelfs de mensen naast me niet konden zien dat mn lippen bewogen (de zanger had dit van te voren als 'mumbling' afgedaan).
Ik lachte, dat wel, dat mocht iedereen zien. Tenslotte lachte iedereen.
In Zijperspace is men afhankelijk van de kudde.









