Vijfhoek

Ik was vandaag weer in de Diemer Vijfhoek. Een jong vogeltje, uit 't nest gevallen wss, rende voor me uit, in angst. Ik moest een sprintje trekken langs 'm heen om hem weer richting nest, richting ouders, te laten spurten.
Er waren op een gegeven moment minstens 6 winterkoninkjes om me heen, aan weerszijden van 't pad, ze lieten de hele tijd om beurten een tikkend geluidje horen, een triller, om met elkaar in contact te blijven, zo leek 't. Ondertussen dwaalden er ook minstens 2 vinken & 2 boomkruipers in dezelfde regio, dezelfde bosschages om me heen. 't Gebeurde allemaal op een afstand van niet verder dan 4 meter van me vandaan. 1 Winterkoninkje (eigenlijk enkele van hun om beurten) zat een tijd lang op nog geen 2 meter van me weg.
Ik ben niemand tegengekomen buiten hen & een hele hoop insecten & andere, verdekt opgestelde, vogels.
1 Libelle bleef zitten terwijl ik foto's van 'm probeerde te maken, voetje voor voetje meer intimiteit van 'm opeisend. & Een beter portret.
Ik heb 'm ervoor bedankt, zoals ik de laatste tijd pleeg te doen als ze me toegelaten hebben hun op 'scherp' te krijgen.

't Bericht gaat integraal op Zijperspace.

Regendans

Ik zie dat ze gewoon door zijn blijven gaan met dansen. Ondanks de spetters die ijverig vallen. Dansen ze nu om de voor hen loodzware druppels te vermijden of omdat 't nou 1maal bij hun bestaan hoort?
Ik probeer 1 van hun in 't oog te houden, continu te volgen in zijn bewegingen, de bochten, de hoeken, de lijnen, 't stijgen, 't dalen. Vooral de hoeken zijn moeilijk; daar verlies ik m'n studieobject snel uit 't oog, vooral op 't moment dat een soortgenoot net passeert & eenzelfde onverwachte 'move' maakt. Maar alles is eigenlijk onverwacht. 't Enige niet onverwachte is dat ze zich in, zoals 't vanachter 't raam er uit lijkt te zien, een kubieke meter bevinden. Ze lijken zich daar niet uit te willen begeven. Dit is hun veilige stukje open wereld. Dit is hun kader. Hier bevinden zij zich allemaal, alles wat hun werkelijk bekend is.
Hun kubieke meter zou voor hen zo groot kunnen zijn als dit huis waarin ik me nu bevindt. Dan zou ik waarschijnlijk ook de begane grond mee moeten rekenen, want deel mijn volume maar eens zo ver dat ik zo groot ben als deze dansvliegen & pas datzelfde quotiënt toe op 't pand hier in dit park. Ik krijg 't vermoeden dat ik 't omliggende terras dan ook mee zal moeten rekenen plus ook nog eens al de aanwezige bomen in hun volledige dimensionaliteit.
Eigenlijk ben ik maar klein behuisd in vergelijk met hun.
Zien ze die regendruppels aankomen, dat 't mij niet lukt om 1 van hen te betrappen meegesleurd te worden door de immens grote druk van de zwaartekracht waar zo'n heel klein beetje samengeklonterd water onderhevig aan is? Hebben ze een voor ons onwaarschijnlijk snel reactievermogen dat ze ze allemaal kunnen ontwijken? Of anders zou 't kunnen dat ik tijdens mijn staren naar 1 zo'n vlieg alweer afgeleid ben geraakt door een volgende of automatisch die volgende ben gaan volgen toen de 1e toch sneuvelde onder al dat nat omdat 't te flitsend snel ging voor mijn hersens om die overgang te kunnen bevatten.
Eigenlijk was ik alleen maar aan 't staren naar een nijlgans en een blauwe reiger, die in dezelfde stromende regen hoog in de top van een spar elkaar bedreigend aan 't wegkijken waren, terwijl een blauwe streep voorbij flitste om te tonen dat ijsvogels ook geen last van nat hebben, toen ik ontdekte dat de voorgrond gevuld werd door een dansvoorstelling.
 
Poging een reeks van momenten te bevriezen in Zijperspace.

Micromotjes II

Ze laten 't zich wel heel makkelijk overkomen. Een badkamermuur bestaat, je zou bijna zeggen dat 't onontkomelijk nou 1maal zo hoort, uit tegels. Waarschijnlijk hebben ze er ook standaardmaten voor. 't Komt mij voor dat dat bewuste micromotje (ik heb 't hier over de soort in 't algemeen zoals die zich in mijn badkamer manifesteert, niet over de 10-, misschien wel 100-tallen individuen die hun kortstondig bestaan aldaar hebben doorgebracht) een grote voorkeur heeft om zich precies in 't midden van deze standaardmaat te bevinden. 't Is voor mij dus zeer eenvoudig om alle tegels af te scannen om te zien of er afgelopen nacht een nieuw exemplaar is geboren.
Jaren geleden werd ik voor 't toiletgebruik in een Amsterdams café verwezen naar de kelder. Boven was 't op dat moment veel te druk.
'Je moet je vooral niets van die vliegjes aantrekken,' werd ik gerustgesteld door de eigenaar. 'Er is iets met 't riool. Daar moet iets aan gebeuren binnenkort. Dan zijn die beesten ook weer verdwenen & kan 't gewone publiek die wc gaan gebruiken.'
Ik zou 't niet als een 'wolk' willen omschrijven, maar overweldigend is 't wel als je zo'n toilet binnenkomt & de bril optilt. Sindsdien ben ik de verschijningsvorm van 't motje niet meer vergeten. Dat 't motje een motje was, dat wist ik echter toen nog niet.
& Dat is waarom ik ze dood. 't Beestje mag geen plaag worden. & Omdat 't rioolaspect me ook is bijgebleven, gebruik ik zeer fatsoenlijk een wc-papiertje. Die gaat, weet ik inmiddels, wel 10 tot 20 motjes mee.
Muggen doden is een vak; met de motten kan een kind de was doen. Mochten ze opvliegen, dan zijn ze in een oogwenk uit zicht verdwenen. Even later zie je ze echter alweer zitten op een andere tegel, wederom in 't wiskundig midden ervan. Alsof ze zich willen excuseren voor hun vlucht & 't je ter genoegdoening zo makkelijk mogelijk willen maken.
Maar ondertussen draagt 't alleen maar bij tot 't verder groeien van m'n schuldgevoel. Fruitvliegjes, dat mocht nog wel, & muggen (alleen de stekende, & daarvan dan alleen die verzot zijn op mensenbloed) natuurlijk ook, maar niets wat de wereld geen kwaad kon doen.
Op een goed moment 'ving' ik er echter 5 in een korte sessie van staren naar de centrale middens van alle tegels in mijn badkamer. 5 Is niet meer een toevallig passerende enkeling. 't Had hier meer de schijn van een zogeheten plaag. & Ik moest aan m'n nachtrust denken, die door een beroerde kussen & een eigenwijze nek toch al niet zo best was de laatste tijd. Want plagen, alles waar je in 't dagelijks leven blijkbaar geen controle meer over hebt, daar krijg je dromen van. & Niets zo akelig als wakker worden van kortademigheid & zweet plus 't idee dat je zojuist door iets heel kleins verslagen bent. Aangeknaagd, met rioolteentjes bepoteld, door heel veel broertjes & zusjes massaal betreden.
Mijn fantasie moest kortom in bedwang gehouden worden.
Daarom doet 't mij dus zo'n deugd dat ze 't zich zo makkelijk laten overkomen & dat ze niet veel anders zijn dan kamikazepilootjes dan wel zelfmoordenaars met bomgordels die je door een simpele zachte druk van de wijsvinger uit kan zetten zodat erger voorkomen kan worden. Maar dan wel met een stukje wc-papier ertussenin, zodat ze niet de vieze dingen die ze uit 't riool hebben meegenomen op mijn huid achter kunnen laten.
Zover is 't dus ongemerkt wel gekomen, dat ze me met deze gedachten hebben besmet. & Ook dat kan resulteren in een dodelijke ziekte waar ik 's nachts aan lijd.
 
Alsof Zijperspace alweer ten dode lijkt opgeschreven.

Micromotjes I

Iedereen heeft zo'n ding, zo'n plankje onder de spiegel van de badkamer. Plastic, kunststof, wellicht hout.
Nu ik dat schrijf, bedenk ik: hout is zo gek nog niet. Veel rustiger, veel minder in 't niets vallend door 't kunstlicht als wat ik nu heb: zo onopvallend mogelijk wit door de verhuurinstantie aan de muur geplakt; hout zou veel minder opvallend gevoelig zijn voor al 't vuil dat ik blijkbaar onopgemerkt overal achterlaat.
Maar goed, een spin weet 't wel te waarderen. Als ik m'n mond spoel na gebruik van de tandenborstel of als ik een zelfde buiging maak om m'n dagelijkse routine van pillen slikken te volbrengen kijk ik 'm recht in 1 van z'n ogen. Waarbij ik er automatisch vanuit ga dat ik z'n geslacht niet op de juiste waarde schat. 't Ligt aan onze taal, moeder spin, & hoe we die zo makkelijk mogelijk willen gebruiken.
Goed, kunststof plankje dus, onder de spiegel, boven de wasbak. Waar andere beesten juist onder een afdak gaan zitten om niet nat te worden, heeft de spin zichzelf een plek gevonden waar 't effect van 't daar verschijnende water wel eens de andere weg dan de zwaartekracht kiest. Een mens kan onstuimig zijn in zijn alledaagse toilet.
Maar waar ik vroeger zo snel mogelijk van die spin af wilde zijn, van elke spin eigenlijk, accepteer ik tegenwoordig de blik van misschien wel 8 ogen op nog geen 10 cm afstand. Ik, daar staande, op m'n zwakst, van 1 hand ontdaan omdat deze de kraan moet besturen, van de 2e doordat de tandenborstel de reis altijd tot 't einde van 't poetsritueel wil meemaken, ikzelf van spontaniteit & alertheid gespeend door een mond die al spoelend & borrelend geen signaal van noodzaak tot actie door kan geven aan mijn hersenen. Die functie heeft de mond nou 1maal niet in die hoedanigheid.
Dus ben ik er maar van gaan genieten. Dat schijnbaar inactieve brein vragen toesturend vanuit mijn met 2 vraagtekens gesierde ogen (dat kan ik zien als ik mij kortstondig opricht & onderweg de spiegel tegenkom): waarom houdt dat beest 't zo lang vol & als ik die micromotjes zelf niet doodsla, zou hij dan niet een exorbitant rijk maal elke dag hebben?
Ja, die micromotjes, daar moet ik 't ook nog eens over hebben.
 
Er is weer tijd van leven in Zijperspace.

Dat u is & was

Er klinkt geschreeuw van achter. In de straat die dichter bij 't spoor ligt, voorbij m'n tuin.
Ik moet dat soort dingen niet, kan dat niet zo goed hebben, zeker niet hier, in mijn grote stad, maar voel de verantwoordelijkheid dat ik niet uit 't oog moet verliezen dat je vervreemdt van je medemens als je niet af & toe je oor te luisteren legt.
Dus ik sta in de tuin. Probeer 't van dichtbij, op gepaste afstand, te aanschouwen. In geluid dan. Niet té dicht erbovenop. Er moet een huizenblok tussen zitten.
Als 't uit de hand loopt heb ik nog altijd m'n mobiel bij de hand.

Alles is ver weg, als wat dichtbij gebeurt iets te vaak voorkomt. & Dan moet je je ook nog maar kunnen voorstellen dat 't inderdaad niet al te vaak gebeurt, want anders raak je helemaal geïsoleerd.
't Hoeft immers niet zo te zijn dat een burenruzie, iets te veel lawaai, een overlijdensbericht, jou steeds opnieuw overkomt.

Behalve op 't terrein van burenruzie heb ik veel ervaring.
Ze zijn nl bij bosjes gevallen, die doden. Als je er te veel kent, dan sterven ze vanzelf in al hun enthousiasme jou te kunnen verlaten, opzettelijk met z'n allen tegelijkertijd, lijkt 't dan.

Heeft men de boeken bijgehouden van de junks die in mijn tijd de straten van Den Helder bewandelden? Hoe zij slikten, spoten & daarna onsierlijk overleden?
Ik had toen 't idee dat ze 1 voor 1 de hoek omgingen, neergeschoten of neergespoten, gek geworden &/of opgehangen, geen vertrouwen meer in 't ouder worden.
Ok, m'n ouders, daarvoor m'n grootouders, waren druk bezig zo ver te komen, maar dat gold blijkbaar niet voor de huidige mensheid van toen. Of in ieder geval niet die mensheid die mij omringde.

Dus dan sterven mensen. Dan blijken ze er opeens niet meer te zijn, zonder dat je een oordeel kan hebben van je slikt veel, je drinkt te veel, je bent niet zorgvuldig bezig. Nee, dan blijken ze er niet meer te zijn omdat ze oud zijn geworden & op respectabele leeftijd, maar nog altijd veel te vroeg.
Dood.

Kan iemand mij dat nou eens uitleggen? Dat ik doden meemaak, ontelbaar, ik begon ze al te tellen toen ik nog maar net 20 was, maar dat er een tien- of honderdvoudig aantal om me heen zwermt, terwijl ik de leeftijd niet heb om me daar druk over te maken.
Ik wil niet ontelbaar meemaken, moet men weten. Ik wil hooguit ontelbaar zijn.
Maar 't begint langzaam tot me door te dringen dat ik dat ook nooit bereiken zal.

Mijn excuses aan al diegenen die eerder weg zijn dan ik.

Ik weet dat u was in Zijperspace.

Vrouwenkamp

't Is een Boomhommel, denk ik kort.
Zeer kort, want ik laat me al snel door Wikipedia wijsmaken dat een Boomhommel (met z'n witte kont) vanaf augustus al niets meer van zich laat horen, terwijl de Aardhommel (met z'n net zo witte kont) tot half oktober rondwaart.
Maar dan heb je ook nog de Wilgenhommel & de Veldhommel (beiden de zelfde mate van witkonterigheid). Waarbij de 1st genoemde rond september stopt & ik voor de 2e toch echt 't naslagwerk over bijen nodig heb, want daar weten de wikipedianen nagenoeg niets over te vertellen.

Aardhommel dus maar.
Ik stond al verbaasd nog een hommel in m'n tuin te zien. Zo verbaasd dat ik 'r op haar zoekende, hopeloze vlucht ademloos volgde. Minutieus, elke beweging. Als in: wat doe je hier, gek? Ik heb geen bloemen, ik heb geen nectar, ik heb geen stuifmeel. & Jij bent zelf waarschijnlijk toch al aan 't eind van je Bombus-latijn.

Waarna dat beest midden in 't luchtledige stil bleef in haar beweging. Er was opeens een hommel die ergens boven de planten gefixeerd stond & niets meer deed.
Nou ja, niet lang. Op een gegeven moment begon ook tot haar (de mannen zijn rond deze tijd van 't jaar allang al dood) door te dringen dat ze niet verder kwam & dat 't noodzakelijk was zich uit deze paralyse te trekken door heftig met 't lichaam te schudden.

De tegemoet stormende spin zal ook wel een vrouwtje zijn geweest.
Vrouwen lijken allesoverheersend in insectenland. Ik bekeek vanavond een filmpje waarbij 't mannetje dol enthousiast 't vrouwtje dacht te gaan bespringen (in seksuele zin bedoel ik dat dan), maar al snel ingekapseld werd door 't rag van 't vrouwtje dat in hem een avondmaaltijd zag.
Als 't aan de geleedpotigen ligt worden mannen zo spoedig mogelijk afgeschaft zogauw ze niet meer nodig zijn voor de broodnodige productie van volgende generaties vrouwen.

Maar goed, spin (onbekend welk, nog niet bestudeerd, nog steeds iets te bang voor dit soort, maar 't zal wel 'Kruis-' zijn geweest; dan heb je in je eigen tuin 40 % kans dat je goed gokt, heb ik me laten vertellen) rent op Aardhommel af, kapselt 'r in, hommel spartelt, gaat in gevecht (waartoe, waartoe? denk ik nog, dit ga je verliezen, ik zie 't nu al, ook als is dat ding met meer poten kleiner dan dat jij bent), spartelt nog een keer, ik zie waarschijnlijk giftige poten van spinlief teder & aandachtig steken in 't borststuk van de hommel & mijn vooruitziende blik vertelt me al dat ik straks een behoorlijk groot pakket insect in m'n tuin heb hangen waar de 8-potige zich behoorlijk in omvang aan zal vergroten 't komend etmaal.

Maar niets blijkt op een gegeven moment minder waar.
Ik zie hommel vallen (o, m'n lieve hommel, ik had je zo lief, ik vond al dat je zo ongezond laat & onvervaard door m'n tuin zwalkte & voelde meelij voor de hopeloze boodschap die je in 't kader van 't voortbestaan van je volk buitenshuis moest gaan doen), vallen, in een splitseconde, kleiner nog waarschijnlijk, want voor 't lichaam dat zojuist nog enkele omwikkelingen van spinrag om zich had gevoeld 't blad onderliggend bereikt zijn de motoren van de vleugels alweer aangezet & zet 't zich voor een vlucht, ietwat waggelend, dat wel, richting 1st daar waar vroeger m'n vlinderstruik stond & dan naar verre vertes waar wél voedsel te vinden is.

Buiten m'n bereik. Zó ver konden m'n ogen niet reiken.

Zullen ze nooit reiken in Zijperspace.

Volgzaam

Ik volg m'n vader. Hij loopt voorop. Ik zie z'n kuiten voor me uit schuiven, stap voor stap hoger de bergen op, de zwitserse bergen, nooit pogingen doen snel verder weg te sprinten.
Nee, in gestaag tempo, ongehaast, zodat mijn blik zijn kuiten niet uit 't oog verliest. Hij lijkt m'n ogen te voelen, gericht op zijn benen, weet zijn verantwoordelijkheid: z'n kind, met een eigen rugzak, de oudere broer, onvermoeid, uit op nog meer avontuur, verder vooruit de berg op, op zoek naar de paden die ons leiden naar 't hoger gelegen doel.

Ik volg m'n vader dus. Maar waar ik in die rol net als hem kinderen had moeten krijgen heb ik er geen.
Hij loopt evenzogoed vooruit. Voor me uit, zou ik moeten zeggen. Ik weet wat er hem overkomen is & wat ik moet vermijden om mij 'tzelfde te laten gebeuren. Ik ontwijk de stenen waar hij over gestruikeld is. Hef m'n voeten hoger op. Ik ben tenslotte ook kleiner, hoewel ondertussen niet meer nu ik op deze zelfde leeftijd terecht ben gekomen. Maar ik weet dat ik beter m'n best moet doen om niet in dezelfde valkuilen te stappen.

Die zwitserse alpen. Terwijl hij jonger was dan ik nu. Ik keek naar hem op. Ook als hij mensen begroette in 't voorbijgaan.
'Gruetzi mitenand.'
M'n broer & ik kopieerden die zwitserse groet. We lachten om de verkeerde uitspraak van die vreemde buitenlanders die hier woonden.

Wij luisterden niet. Wij zagen niet wat hij zag.
Hij pieterpeuterde z'n ogen de plantjes in, soms met een loep om z'n nek. Die had hij óók nog 'ns bij zich, naast de bagage voor een overnachting ergens hoog in de bergen.
Hij plukte, zorgvuldig om zich heen kijkend, & frummelde (niemand mocht zien dat hij illegaal kleinodigheden exporteerde) een bloemetje in z'n flora. Heukels waarschijnlijk.
Of was 't de Heimans/Heinsius/Thijsse die nu bij mij boven de vroegere stoof hangt?

Ik weet ook dat-ie verbaasd stond om alles wat bewoog. Geïnteresseerd in waar 't zich bevond & waar 't naar bewoog.
Ik heb dat toen niet geconstateerd, maar zag 't toen hij beelden kreeg van wat er niet om zich heen was, maar evengoed wel zag.
Dankzij de medicijnen. Om te voorkomen dat hij snel ouder werd, sneller sterven zou, sneller, sneller, sneller niet meer zou zijn, terwijl hij tegelijkertijd alleen maar trager werd.

Hij vertelde me, m'n moeder zat ongerust naast hem, ik er tegenover, dat er beestjes uit de muur kwamen. Hij lachte er vrolijk bij.
Hij bracht z'n hand omhoog, volgde een denkbeeldig kruipseltje & bestudeerde 't. Zoals een natuurvorser hoort te doen. Geen angst. Slechts verwondering.
De medicatie deed 'm goed.

Ik ben jaren bang geweest. Zo lang als hij er nu niet meer is & lang daarvoor. Maar nu ik lieveheersbeestjes over m'n hand durf te laten kruipen, & wat dies meer zij aan grote avonturen, weet ik dat ik niet hoef te vrezen wat er straks uit de muur tevoorschijn gaat kruipen.

Laat vaders dromen maar komen tot Zijperspace.

Verlatingsdagboek XXIX

Ik wacht tot de benauwdheid weer terug komt. Ik verwacht ook dat ik me straks in deze houding niet zo comfortabel meer ga voelen.
Tegelijkertijd weet ik dat ik dat waar ik nu in ben, de omstandigheid zeg maar, heb getraind. Al jarenlang kom ik ongemakkelijke situaties tegen waarbij ik me niet op m'n gemak voel & dat probeer te verhullen.
 
Ik moet nl doorgaan met ademhalen. Heb ik mezelf geleerd.
Ik ben daar nl geweest. Ik heb in dat huis gewoond. 't Huis zonder lucht. 't Huis zonder hemel.
 
Ik heb m'n vader uit moeten leggen (zij die niet tegen deze openhartigheden kunnen worden nu de deur uitgewerkt) hoe 't voelde toen op dat moment de hemel op me neerstortte.
Hij zat hulpeloos in de stoel waar hij altijd in zat. Waar normaal zijn plank lag, waar hij typte, dankzij een typemachine op de plank die boven zijn schoot hing, waar hij zijn wereld beheerste, de wereld van zijn zonen, van zijn huishoudschool waar hij directeur van was, van zijn vrouw met hoofdpijn, van zijn hobby's, als genealogie, jazz & diverse andere obsessieviteiten die zijn gedachten blijkbaar kalmeerden, vanuit die positie moest hij begrijpen dat ik ermee zat dat de hemel (niet die van god, of ook maar enig andere grootheid) op me neer aan 't storten was.
 
Hij begreep dat niet, niet zolang mijn moeder niet terug was van boodschappen doen met m'n tantes, de wekelijkse boodschappen, waarbij ze aan 't eind koffie & thee dronken bij ons thuis & 't kleingeld weer eerlijk over elkaar verdeelden al naar gelang de supermarkt- & groenteboerbonnetjes hun dat dicteerden; hij begreep dat niet, zolang ze afwezig waren, of eigenlijk m'n moeder, maar boog wel voorover, niet om me aan te raken, maar wel om me te laten voelen dat hij me wel wilde bereiken. Hij boog voorover om gelijk aan me te staan, als Atlas, die die zware wereld mee moest dragen.
 
Ik huilde, ik wilde niet dat de hemel op me neer zou komen. Zoveel heb ik 'm uitgelegd.
 
M'n moeder kwam al snel. Haar zussen dus ook.
Ik wilde nooit dat zij, naast m'n moeder, m'n oogrood konden zien & ben snel naar zolder gevlucht.
M'n vader kwam me nog even achterna & heeft me een klopje op m'n schouder gegeven.
 
Ik wacht dus tot die benauwdheid terugkomt. & Wacht. Wacht.
Ik wil misschien te veel.
 
De lucht klaart, de maan duistert in Zijperspace.

Ik ben hier

't Is niemand anders ooit opgevallen, vooral omdat ik dat niet laat zien in aanwezigheid van hun, maar ik bevochtig regelmatig de nagel van m'n duim met m'n tong.
't Heeft geen zin, & ik denk ook dat 't iets beschamends in zich heeft dat ik dat nu vertel, maar 't koelt blijkbaar m'n duim af, de huid onder m'n nagel, 't zet me aan 't denken, 't ordent m'n gedachten, & wat niet al van zelfverklarende onwaarschijnlijkheden.

Dus:
Ik lees een boek. Liggend op de bank.
Ik spel elk woord.
Ik lik m'n nagel. Die van de duim. M'n rechter meestal.
& Ik weet niet waarom.

& Dan, als ik besef dat 't onzinnig is wat ik doe, probeer ik 'm droog te laten worden. Maar ik probeer mezelf te verbieden dat door afvegen te doen.
't Moet vanzelf gebeuren.
Tussendoor, terwijl de tijd verloopt, 't vocht geleidelijk aan verdampt, veel te langzaam, ik word ongeduldig & wil niets meer met m'n afwijking van duimnagellikken te maken hebben, voel ik met onderlip of er al iets gebeurt is met de vochtigheid van de bewuste nagel.
Waarop ik me op een gegeven moment dapper genoeg acht die gehele oppervlakte, ik zie nu de onzinnigheid ervan in, van m'n speekselvocht te ontdoen.

Ik denk ondertussen aan egyptische afbeeldingen van ik weet niet hoelang geleden. Guus Kuijer heeft me dat ooit geleerd middels een ander boek dat ik ooit las, dat egyptische kinderen aangemoedigd werden om hun duim in de mond te steken.
Daar werden ze wijzer van, want in zichzelf gekeerd.
Was 't niet zoiets als dat je alleen maar wijsheid kon bereiken door naar jezelf te kijken?

Ik lik even extra aandachtig m'n duimnagel. Ik blaas, maak daarbij om me heen kijkend gedachteloos contact met de wereld van verkeerd & te veel geplaatste spullen om me heen, & voel daarna om te controleren of de nagel al droog verdampt is.

Ik ben hier in Zijperspace, als dat niet al eerder beweerd is.

Een verhaal ontkomt niet aan z'n datum

Ik heb niets achter mij gelaten. Hoewel wat voorgoed voorbij is mij als schilfertjes huid continu lijkt te verversen door een ongevoelige laag die van binnenuit groeit. Je vernieuwt jezelf nou 1maal aan 1 stuk door. Een herinnering wordt minder rauw opgediend als ooit de dag erna.
Wie weet gaat dit vervangingsproces van de cellen wel sneller bij dat specifieke herinneringskwakje van de hersenpan.

Dus alles is nog steeds daar waar 't zich ooit heeft gevestigd. Met numeriek aan te wijzen verminderingswaarde.
Hoe zou een wiskundige dit duiden?
Ik ben slechts de taal machtig, tenminste als je de grootte van vaardigheid ermee vergelijkt met de nietigheid over 't beheer van de getallen.
Daarbij heb ik 't niet over hoe je moet berekenen hoeveel dagen je geleefd hebt. Da's een koud kunstje. Hoofdrekenen is niet 'tzelfde als 't beredeneren van de gang van getallen, welke weg ze gaan & hoe ze te manipuleren.

Maar: 41 x 365 = 14.965.
Plus 10 schrikkels.
Plus 25.
Maakt een afgerond getal van 15.000 groot.
Bij mij viel dat toevallig op 5 mei.
Ik wist al dat ik op de 100e dag van 't jaar elke keer verjaarde. Behalve die schrikkels dan. Maar die reken je aan 't eind pas mee.
Niet dat 't magisch was, maar als hoofdrekenaar ben je wel geneigd zo te denken als je er achter komt dat 125 gelijk staat aan 5 x 5 x 5. & Dat 'plus 25' valt te ontleden in 5 x 5.
Ik hoef dat toch niet uit te leggen? Ook niet welke maand mei in de orde van opvolging is?

Dus toen ik die dag ging vieren bevond ik mij tegenover 2 vrouwen (misschien nog wel meer), de 1 hield die avond mijn hand vast, de ander zou dat enkele jaren later doen.
Ik was verschrikt van de plotse afstotelijkheid van de laatste die dag, waar ik mijn onverwachte afstandelijkheid misschien wel moet bedoelen.
Maar dat gevoel, die constatering, liet ik al snel achter me door een zacht kriebelen van zenuwachtig zoekende vingers van de andere vrouw.
Ik liet de 1 de deur uit, voor de ander sloeg ik niet veel later 't dekbed open, wat we al snel daarop van ons afwierpen.

Ik probeer me niet vast te houden aan eerder genoemde cijfers, maar heb wel de neiging te denken dat ik ooit te veel waarde heb gehecht aan wat er rond die datum is gebeurd & wat er uit is voortgevloeid.
't Ging tenslotte niet onopgemerkt voorbij.

De schilfers, ze bladderen af. Ze laten vreemde krommingen in m'n huidplooien achter. Vooral in m'n aangezicht.
Niemand die 't opmerkt. Ik ben de enige die mijn spiegels waarneemt.

Ze blikken ver terug in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XVIII

Aan al diegenen die geen mail van me hebben mogen ontvangen, van die lange, ellenlange, mailtjes met oeverloos gezeur over 't hoe met me ging, zou gaan, hoe 't afgelopen was, hoe daaruit een mogelijke toekomst te ventileren viel & wie daar dan wellicht verantwoordelijk voor gesteld kon worden, voor 't welslagen of 't falen; trouwens niet alleen die ellenlange mailtjes, ook de gesprekken, de monologen van ik tegen de per ongelukke toehoorder, met af & toe de verwondering op m'n gezicht afgetekend dat er inderdaad luisteraars waren, m'n wantrouwen ook, waar haal ik die opeens te voorschijn, maar hij sluimert wel, nu meer dan ooit, dat wantrouwen van als ik iets van mezelf verteld heb, waar zijn jullie dan, waar jullie in 1e instantie toch ook waren, bereid waren te luisteren & opeens niet meer, waarbij ik niet moet vergeten te benadrukken dat ik ook heb geluisterd, de variaties van adviezen, suggesties, pogingen me inzicht te geven in weer een andere manier van kijken hoe 't er voorstond met mij, hoe 't gelopen was & 't ook zo niet anders had kunnen gaan met een persoon als mij & daarnaast moet ik me verontschuldigen omdat ik tekort geschoten ben in m'n excuses, excuses bovenop excuses zijn dit, waar ik die achterdocht te veel heb laten blijken, me zelf heb laten gaan, laat op de avond, vlak voor berustend alcoholisch verlicht slapen gaan (oh, ik weet nog de tijd dat een zekere blogger, Zandstrand genaamd, 't is lang gelee, me verweet ellenlange verhalen te schrijven, maar dat hij dat ook op 't zelfde moment lekker vond, waarom weet ik niet, maar 't gaf 'm blijkbaar iets berustends mee: mensen mogen doen waar ze zich lekker bij voelen, mogen hun stream of consciousness naar hun toetsenbord laten vloeien, onnadenkend, weldoordacht tegelijk, omdat wat je zegt toch komt vanuit 't gebied waar je hart zit, waar je je mee bezig houdt, wat geen gesloten paar van lippen kan voorkomen verteld te laten worden; die Zandstrand dus, wilde dat ik door ging met 't vertellen van`m'n ellenlange verhalen) (ik weet alleen niet of hij 't gebrek aan een bepaalde mate van doeltreffende interpuncties daarbij op de koop toe nam), maar ik weet dat ik dit aan kan, ik heb mezelf getraind, gedurende de jaren, zoals ik m'n slaap uit kan stellen, soms ook niet (de bankt slaapt dan vaak al voor ik er weet van heb & daar ben ben ik vervolgens slachtoffer van) & dat 't dan gebeurt, dat hét gebeurt, dat iets wat niets is, maar waardoor ik me op m'n gemak ga voelen, m'n toetsenbord los wil laten & me zelfgenoegzaamd in bed wil leggen.
& Wanneer dat in bed liggen of leggen nu gebeurd is, dat weet ik niet meer. Ik was er even niet, want verkeerde elders & ben daardoor daar inmiddels.

Waar 't mogelijk ook Zijperspace heet.

Veelkleurig Aziatisch Lieveheersbeest

Ik blijf 't een prachtige uitvinding vinden, de verkleinende vorm die in 't Nederlands vaak wordt toegepast om iets een hogere waarde van vertroeteling te geven, een grotere mate van dichtbij-het-geliefkoosd-onderwerp-te-willen-zijn-gehalte toe te bedelen of om gewoon iets kleiner te laten voordoen t.o.v. wat zich voor de rest in de omgeving bevindt.
Sommige mensen overdrijven dat, maar ondanks de overdosis die dit soort personen oplevert, blijf ik ‘lieveheersbeestje’ de perfecte vorm van verkleining in het Nederlands vinden.

Het aziatisch lieveheersbeestje heeft echter niet veel weg van een lieve heer. Hij is als exoot te gast bij ons, ooit aan tafel gezet van een copieuze dis van luizen die bestreden moesten worden, waarvan de telers wisten dat het kevertje dit lekker zou vinden, maar al gauw wilde dit beest meer en trok het de wijde wereld in.
Dat moet in Nederland niet lang na de invoering van het aziatisch lieveheersbeestje, in 1996, zijn gebeurd. De voor invoer verantwoordelijke telers waren blijkbaar vergeten dat dergelijke dieren vleugels hadden om te kunnen vliegen.

Nou heeft het me behoorlijk wat moeite gekost lieveheersbeestjes te vinden. Sinds ik een boekje heb mogen bekomen dat als veldmap gebruikt kan worden ter identificatie van de in Nederland voorkomende lieveheersbeestjes, ben ik continu als bezeten op zoek naar ze. Je hebt zo'n boekje tenslotte niet voor niks.
Maar slechts een enkele keer kom ik er eentje tegen. Dat wijt ik, m'n gezelschap dat op de hoogte is van mijn bezetenheid heeft me dat gesuggereerd, aan het slechte, want natte, weer, de harde wind, of anders mijn onwetendheid van waar ik ze moet zoeken bij zulke omstandigheden. Misschien komen ze na een regenbui wel een paar etmaal niet meer aan de bovenkant van ’t blad, bang natte voeten te krijgen.
Nat maakt immers extra zwaar, zeker in de verhouding van een druppel en het priegelig lichaam van een lieveheersbeestje.

Uiteindelijk kruiste een onbestippeld lieveheersbeestje m’n pad tijdens een wandeling in het Schinkelbos. Deze leek in de veldmap niet te bestaan. Evenals de daarop volgende 19-stippelige variant die gevonden werd op het Vogeleiland in het Amsterdamse Bos. Dat kon geen citroenlieveheersbeestje zijn, noch harlekijnlieveheersbeestje of oogvleklieveheersbeestje.
Het aziatisch lieveheersbeestje bleek uiteindelijk de enige mogelijkheid (ook voor de onbestippelde) na raadplegen van de vele wijzen die zich op internet bevinden.

Twee vondsten, beiden hetzelfde resultaat, maar door de veelkleurigheid, de vele verschijningsvormen van de soort, niet door mijzelf als dusdanig herkend.
Ondertussen geven die, weliswaar geringe, cijfers aan dat het aziatische lieveheersbeest (de vertroetelende verkleining kunnen we wel weg laten) Nederland bezig is te overheersen. Behalve een kannibaal die in diverse stadia van zijn leven volgaarne zijn soortgenoten oppeuzelt, wint het 78% van de gevechten met het 7-stippelig alsook alle ontmoetingen met het 2-stippelig lieveheersbeestje, aldus onderzoek aan de Wageningen University. Waarbij de gevolgen waarschijnlijk heerlijke maaltijden betekenden voor de overwinnaar. En een vermindering van de voor Nederland inheemse soorten.

Dit lieveheersbeest komt in oktober op witte muren zitten, bij gebrek aan rotsen zoals in zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied, en gaat daar en masse tegen en op elkaar zitten. Dat is het moment om te kunnen zien hoe divers in verschijning 't dier daadwerkelijk is.
Daar blijft de troep natuurlijk niet de hele tijd, de zon schijnt immers niet eeuwig achter elkaar. Het kruipt daarna de huizen in, om in een krap hoekje of spleetje 3 maanden stil te zitten en te genieten van de gratis warmte die uw behoefte aan stoken hem geeft.

Verlatingsdagboek XXVII

Momenteel ben ik 't Aziatische Lieveheersbeestje in de gaten aan 't houden. In zoverre ik dat dier tegenkom, natuurlijk. & In zoverre ik er informatie over kan vinden.
't Blijkt dat 't ding ondertussen 't Veelkleurig Aziatisch Lieveheersbeestje wordt genoemd. Vooral omdat er zoveel verschijningsvormen van zijn. Met diverse hoeveelheden & rangschikkingen van stippen. Of dat juist ook weer niet.

't Is kortom een ingewikkeld beest. Iets waar ik 't dan over wil hebben, m'n gedachten over wil laten gaan, al pratende, gesticulerend wellicht vanwege 't belang van m'n onbenul over dit onderwerp.
Ik wil nl weten wat m'n vragen zijn. Waar m'n onbegrip gestalte krijgt & waarbij ik de antwoorden misschien al in m'n mond heb liggen.
Want zo werkt dat toch ongeveer? Dat je praat & je eigen vragen met antwoorden invult.

Dat kreng van een beest, dat eigenlijk in Azië had moeten blijven, gedijt hier schijnbaar goed. 't Lust bij hongersnood desnoods de larven van z'n eigen ras, maar ook die van de voor ons inheemse 7-stippelige variant. Waarschijnlijk nog wel meer dan dat.
't Is bij wijze van spreken een ware afstammeling van de toentertijd denkbeeldige exotische inboorlingen die wij vreesden vanwege hun grote pannen op 't vuur waar wij westerlingen in gekookt werden. Tarzan & Jane bijv als zij niet goed genoeg op elkaar aan 't letten waren.
Zo'n beest. Hapgraag. Onomwonden, nietsontziend. Zo stel ik 'm voor.

Allemaal niet zo belangrijk, als ik er ondertussen niet al te veel wijzer van was geworden.

Ik wil zeggen: 'Waarom zijn die beesten veelkleurig & lijken ze niet op elkaar?'
Ik wil mailtjes sturen naar de mensen die verstand van mijn vragen hebben.
Ik wil suggereren: '& Als ze dan veelkleurig & daardoor niet gelijkend zijn, kunnen ze dan evengoed seks met elkaar hebben & daar resultaat van zien?'
Ik wil de experts toefluisteren dat 't toch niet 1 ras, sorry: 1 soort, kan zijn als ze zichzelf dmv kruising (19-stippelig neukt bijv de ontstippelde?) niet voort kunnen planten.
Ik wil zien hoe kinderen van verschillend gestippelde ouders al dan niet op elkaar lijken of me juist doen beseffen dat 't toch echt niet kan, seks met diverse veelkleurige aziatische lieveheersbeestjes (ja, je hoort 't eigenlijk met kleine letters te schrijven & 't niet tot zo'n groot punt te laten uitgroeien), want dat schijnt niet zo genetisch bepaald te zijn, tussen bijv de mogelijk bastaard 19-stippige variant & de ontstippelde egale vreemdganger.

Ik wil weer dingen zeggen. Daar komt 't op neer. Mijmeren. 't Bedenken van dingen & dat dat dan niemand stoort.
Maar dat 't wel gezegd, gefluisterd, gemurmeld is & daardoor uit m'n hoofd.

Ik wil weer murmelmijmerfluisteren, besef ik me. Een mogelijkheid van een continue stroom van van alles wat er desnoods niet toe doet.

Wachten tot men dat ontvangt vanuit Zijperspace.

Verlatingsdagboek XXVI

Met een vork prik ik in sleedoornpruimen ('t zijn daadwerkelijk pruimen, geen kersen; net opgezocht in m'n zelf-likeur-maak-bijbel).  Als ze al niet behoorlijk lek zijn na 't ontdooien van een jaar vriezer & in m'n hand uit elkaar vallen.
Een bloederig tafereel, maar zo af te wassen.
Ik sprokkel suiker bij elkaar. Moeilijk te vinden sinds ik thee zonder drink. Maar tussen m'n vakantiespullen, die nu zinloos staan te zijn, vind ik genoeg om aan te vullen aan wat ik al had. Ik wil ook niet zo zoet dit keer, dus neem met te kort genoegen.
Kruidnagels van minstens 10 jaar oud. Volgens mij vergaan die niet zo snel, op de sterke geur afgaand. Nageltje extra om zeker te zijn.

Ik doe van alles. Geef me zelf een activiteit.
Nog wat extra's door de drank van vorig jaar eens na te lopen.

Dennentoppen laat ik staan. Volgend jaar nog wat extra oogsten om m'n verkeerde inschatting van de hoeveelheid suiker te corrigeren.
Toen was ik dronken van 't proeven van alles wat al rijp was. & De flesjes bier ertussendoor.

Ik ontdek mirabel (ook een pruim) & meidoorn. Ik ben rijker dan ik dacht.
De 1e gaat door de neteldoek (ik ben 't woord niet kwijt), de 2e zal moeten wachten tot die doek weer schoon gewassen is.

Ik verbaas me over de bakjes waar vroeger roomkaas in heeft gezeten, op de markt gezet door een noten- & gedroogde vruchtenbedrijf. Perfect geschikt voor dit project. Minstens 3 liter levert dat op bij vol.

't Zijn bloedeloze gebeurtenissen. Ik word gedwongen dit te doen. Door omstandigheden, door mezelf, door hier te zijn & niet ergens anders.

Straks, als alles gerijpt, geklaard of gefilterd & uitgeperst is, dan laat ik me vast weer leiden door de slokken tussendoor & komt alles goed. Dan ben ik de drempel die me tegenhield, de daadwerkelijke drempel die ik slechts over durfde om te voelen hoe heet buiten, de mogelijke buien van vanavond, 't overstappen in Arnhem op een bus met een overvol geladen wandelkar, m'n natte tent, ook van binnen, m'n gevangenis de slechtweeraccomodatie & al 't andere wat me tegenhield, vooral ikzelf, vast even kwijt, laat in de middag, liggend op de vloer, terwijl m'n voorraad nog lang niet op is.

Heimwee begint thuis in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XXV

Er komt een dag dat ik dit dagboek niet meer nodig heb, maar dan weet ik misschien wel niet hoe ik 't schrijven hier anders moet gaan noemen. Je bent waaruit je bent opgebouwd & wat uit 't voorgaande is geboren.

Ik zie m'n vader vooral als de man die bij toevallige ontmoetingen met z'n bovenlip z'n slechte gebit probeerde te verbergen, ondanks of juist vanwege z'n brede grijns, om daarbij met olijke grapjes te vertellen hoe dierbaar z'n zoons waren.
Heb ik al verteld dat 't er 6 waren? 't Waren er inderdaad zoveel. 't Zullen er nooit minder worden, hoewel ik erbij moet vermelden dat de actuele waarde ervan aanzienlijk slinkt.

We stonden op zondag in zijn school, een stencilmachine deed 't werk dat hij net had opgedragen te doen (in dat opzicht was hij al een mysterieuze meester) terwijl wij de pilaren in de hal gebruikten om 't legendarische spel boompjeverwissel te spelen.

Ik weet, ik praat in superlatieven, maar zo simpel zag de wereld van toen er nou 1maal uit & wij leken te worden verwend met mogelijkheden die klasgenootjes nimmer zonder ons zouden kunnen meemaken. Apenkooien in een gymzaal tijdens onze verjaardagen leek niet weggelegd voor onze leeftijdgenoten. Als we tijdens 't feest van vriendjes een ijsje kregen, vervolgens een koekhapwedstrijd, daarop terug gestuurd werden naar 't ouderlijk huis, was dat 't ultieme van wat aan feestelijk gedruis buitenshuis bereikt kon worden.

Wij liepen 's zondags onbekommerd rond in de wereld waar doordeweeks meisjes rondliepen, roken hun bezwete geur in de kleedkamer van de gymzaal, speelden apenkooien, trefbal of anders alles wat met de beperkte installaties die onze vader had toegestaan te gebruiken die middag & waanden ons de koning te rijk.
& Als we dan zogenaamd betrapt werden door een collega van Pa, of eigenlijk een onderdaan, hij was immers de baas & wat hij deed of z'n kinderen in de op zondag doorgaans lege school liet doen kon niemand anders zonder zijn toestemming; als we zo iemand tegenkwamen begonnen zijn ogen te glunderen, z'n wangen rood te spannen van opgewonden opgetogenheid.

Hij maakte vervolgens flauwe grapjes (alles was leuk wat hij zei, zeker om te lachen, merkten we aan 't gezicht van de persoon die onze trotse vader aanhoorde) over hoe 't was 6 zoons te hebben, een kroost te hebben als dat hier voor, rond, verstopt stond achter de pilaren, of juist net zich verwisselde van paal tot paal in deze hal van de meisjesschool, zodat 't onmogelijk was voor ons niet blij te zijn met een man die goed was flauwe grapjes te maken, een glimlach zonder fatsoenlijke tanden breed te laten grijnzen & een onbekommerdheid over te nemen tov alles wat nog komen moest.

Ze blijven maar zeggen dat ik op die inmiddels dode man lijk, meer nog dan m'n broers, maar ook, niet minder erg dan hen, of anders die enkelen van ons die zijn blozende wangen hebben kunnen overnemen, krijg ik 't voor elkaar om van alles te vergoelijken door bij tijd & wijle een flauwe grap.

Slechts voor een lach in Zijperspace.